Van scheepsmakerij tot krijtindustrie, deel 2

door Ria Vitters

In de 17e en 18e eeuw trad de Oude Rijn nog regelmatig buiten zijn oevers. Onder normale omstandigheden voldeden de Hoge en Lage Rijndijk, maar bij extreme weersomstandigheden liep het water nogal eens het achterland in. Om de waterstand in de Oude Rijn nog beter te kunnen beheersen, werden in 1807 sluizen gemaakt bij Katwijk. Door deze uitwatering op zee had de rivier geen last meer van de getijden en van verzilting.

Archeon, middeleeuwse huizen
 
Archeon, 17e -eeuwse loodsen en schuren

Toch was er, voordat bovenstaande maatregelen genomen waren, al eeuwenlang bebouwing op de hoge oeverwallen langs de Oude Rijn. De onderkomens bestonden vaak uit kleine houten boerderijen, vissershuizen en jagershutjes met een rieten dak. Door aanslibbing en verlanding vormden zich, na de aanleg van de dijken, nieuwe stukken buitendijks land. Door deze ‘uiterdijken’, eind 16e eeuw’ te gaan beschoeien, ontstonden er (w)erven, die geschikt waren voor allerlei, vaak economische, doeleinden.

Tussen de pannenbakkerij en de houtzaagmolen aan de Lage Rijndijk van Aarlanderveen (nu Raadhuisstraat) zien we in de 17e en 18e eeuw eenzelfde ontwikkeling. De buitendijkse erven werden beschoeid en van de beschikbare bouwmaterialen uit de directe omgeving werden huizen en loodsen gemaakt…

1700 – 1750

Rond 1700 stond er, zoals in deel 1 beschreven is, op de huidige percelen van de ‘Zuid-Hollandsche Krijtindustrie’ een scheepmakerij met huis, scheepshelling, loodsen en een werf …plus een huisje behorend bij de houtzaagmolen. In het buurtschapje tussen de pannenbakkerij en de houtzaagmolen veranderde in eerste instantie niet veel, maar daar kwam in 1724 verandering in. In dat jaar werd de houtzaagmolen verkocht aan Jan van der Helm, inclusief het bijbehorende huis, de erven en de loodsen met alle gereedschappen. Nog geen jaar later kocht Van der Helm ook de scheepmakerij met huis, loodsen, werf en helling ten zuiden van zijn onderneming… en had daardoor het hele gebied in handen tussen droogrekken van de pannenbakkerij en zijn molen.

In 1742 bleek de buurt totaal veranderd te zijn. Jan van der Helm was overleden en zijn erfgenamen verkochten in delen al het onroerend goed. Uit die transacties blijkt, dat Jan een aantal panden had bijgebouwd in de loop der jaren. De erven Van der Helm verkochten aan buurman pannenbakker Vergunst twee huizen, beide deels nieuw vertimmerd tot twee woonhuizen. Deze vier woningen stonden ten noorden van zijn onderneming. 

De scheepmakerij was opgeheven, verbouwd en geschikt gemaakt voor dubbele bewoning. Ze stonden aan de Rijndijk naast elkaar, onder één dak, maar werden als apart huizen verkocht. 

Het huisje tussen de scheepmakerij en de molenwetering was uitgebreid en ook geschikt gemaakt voor dubbele bewoning, maar werd verkocht aan één eigenaar.

1672 Dorpsgezicht met een boerderij, houten huizen en schuren met rieten daken

De houtzaagmolen kwam in handen van drie ondernemers die de molen ombouwden tot een Trasmolen. Bij de molen behoorde inmiddels twee loodsen, een huis, een erf, een kraan… en een balkhaven (aan de overkant van de Rijn). In diverse gerechtelijke akten is sprake van ‘vertimmeringen’. Van stenen huizen of loodsen lijkt vooralsnog geen sprake in het buurtschapje tussen de molen en de pannenbakkerij.

1750 – 1800
In 1760 gaat de Trasmolen weer in andere handen over. In de koopacte staat de volgende omschrijving van het onroerend goed: de windtrasmolen “de Eendragt” met gereedschappen, de stenen pakhuizen, de heren- en molenaarshuizen, koetshuis, stalling, schuitenhuis, erf en een stukje land naast het erf. Dit is de oudste melding van sténen pakhuizen.

In 1772 ging de ‘pannen- en estrikbakkerij’ over naar de volgende generatie van de familie Vergunst. In de verkoopakte is te lezen, dat de pannenbakker ook nog zeven huizen in zijn bezit kreeg, waarvan één met een paardenstal. Vier jaar later werd de pannenbakker ook eigenaar van de buitenplaats Beerendrecht.

Ten tijde van de Bataafse Republiek in 1795 was het pannenbakker Daniël Vergunst, die eigenaar was van álle huizen tussen zijn pannenbakkerij en de Trasmolen…op één uitzondering na…

1800 -1850
De Franse overheersers voerden nogal wat veranderingen door in Nederland. Napoleon besloot in 1811 dat Nederland een kadaster en openbare registers moest krijgen. Hij wilde weten welk stuk grond van welke eigenaar was. In 1832 was Nederland geheel in kaart gebracht. Zodoende hebben wij nu een inkijkje in de situatie van het buurtschapje tussen de pannenbakkerij en de Trasmolen met de namen van de toenmalige eigenaren.

De situatie van 1832: De buurt tussen de pannenbakkerij en bijbehorende panden (geel kader) en de molen met  bijbehorende panden (wit kader). De plangebieden (opgravingsterreinen) zijn rood omkaderd.

Er is dus in de periode tussen 1650 en 1832 een bijna aaneengesloten bebouwing ontstaan langs de Lage Rijndijk…

Wordt vervolgd in de nieuwsbrief van juni…

PS: VAN SCHEEPMAKERIJ TOT KRIJTINDUSTRIE, Deel 1, is te vinden op de website via deze link:

Nieuwsbrief