Tijdens openingstijden
Openingstijden: wo: 14.00 uur - 16.00 uur | za: 11.00 uur - 16.00 uur
door Berry Dongelmans
In de bibliotheek van de Historische Vereniging bevinden zich allerhande publicaties en documenten die je nergens anders kunt vinden, alleen daar. Het betreft in veel gevallen boekjes over lokale gebeurtenissen, jubilea, festiviteiten et cetera, die dankzij onze voorgangers bewaard zijn gebleven. Ze bieden een schat aan informatie over allerlei facetten van de rijke geschiedenis van Alphen en het is de moeite waard om ze onder de aandacht te brengen. De publicaties staan in de studiezaal en welke er zijn, kan men vinden via https://www.hvalphen.nl/studiezaal/
Deze keer staat no. 180 centraal: een map met krantenknipsels uit het weekblad Nieuwsweek, dat tussen 1982 en 1992 gratis in de Alphense huizen op de deurmat viel. Tussen 7 februari 1984 en 28 maart 1985 publiceerde Piet(er) Stuivenberg (1922-1995) onder de titel ‘Hoe rood was mijn dorp’ er wekelijks een column in. Hij haalt herinneringen op aan zijn jeugd in het Rode – spreek uit: rooie – Dorp.
Of de aanduiding ‘rode’ nu kwam van de S.D.A.P.-kleur van veel bewoners of een verwijzing was naar de daken met rode dakpannen, afkomstig van de dakpannenfabriek van Oosthoek en Zoon, is tot op de dag van vandaag onbeslist. Bij Oosthoek verdienden een flink aantal bewoners van deze wijk hun brood. Stuivenbergs herinneringen gaan vooral over de jaren dertig van de vorige eeuw, de zogenoemde crisistijd. ‘Uitgerekend daar liggen de gelukkig veelal onbezorgde maar ook de kleine verdrietige herinneringen uit m’n jeugd. Daar heb ik gelachen en gespeeld en de heerlijkste tarwe-snejen van m’n hele leven gegeten’, schrijft hij in zijn inleiding. Het was armoe troef in die tijd en Stuivenberg neemt geen blad voor de mond. In een levendige en aantrekkelijke stijl schrijft hij onder meer over de nieuwe huizen in de wijk waar hij opgroeide: ‘’t Klootjesvolk wat daar toen introk kon je bezwaarlijk in de buurten van burgemeester Visserpark of Van Boetselaer poten. Het idee alleen al! In de ogen van vele bewoners was alles wat in de klei werkte niet ’t soort waar je normaal mee omging en nu druk ik me gematigd uit. Niet voor niets kreeg in die dagen ’t gezegde als ’t ware vleugels en fluisterde men “die? … vermoedelijk met zes paarden uit de klei getrokken”. Beste mensen…maar dom volk!’
Ook voert hij meneer Renzebrink ten tonele, de enige muzikant in het Rode Dorp.
Hij liep vaak met hem mee en herinnert zich dat hij voor elke gezindte in de wijk wel een toepasselijk liedje wist. Voor de ene deur speelde hij ‘In ’t kroegje De rode lantaren’ en een deur verder ‘Nader mijn God bij U’: ‘’k Geloof niet dat dit hemzelf een fluit uitmaakte…als er maar gegeven werd, want hij speelde nog al eens voor nop. Toch is hij lange tijd een onbegrepen musicus geweest. Dat was trouwens geen wonder, want de meesten leefden geheel zonder muziek…week in week uit. Of je moest ’t zelf maken. Vandaar dat er hier en daar nog een verdwaald huisorgeltje slingerde. Zelfs toen Radio-distributie Hertog [W. den Hertog Azn. in de Hooftstraat, BD] zijn intrede deed was ’t voor velen nog echt te duur. Men moest al aan een zangkoor, fanfarekorps of kerk verbonden zijn anders groeide men op zonder melodieuze klanken.’ Stuivenberg kon ook verdienstelijk tekenen, want zo’n fragment over Renzebrink illustreerde hij met een zelfgemaakte schets, gesigneerd ‘P. St.’.
Zijn herinneringen en belevenissen bestrijken een breed scala aan onderwerpen, waaronder het nieuwgebouwde Ruiterstraatkerkje [Noorderkerk, BD], de lokale kapper, zijn jeugdvrienden, kleurrijke buurtgenoten, het overzetveer, de bloempjes en de bijtjes, tante Gre en ome Jan, enzovoort. Wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van zo’n echte Alphense wijk in de jaren dertig van de vorige eeuw kan zijn hart ophalen. De columns waren een groot succes, want kort nadat de laatste was verschenen, werden ze gebundeld in een boekje.
Dat heeft eveneens ‘Hoe rood is mijn dorp’ als titel en is ook te vinden in de bibliotheek van de HVA.