VAN SCHEEPMAKERIJ TOT KRIJTINDUSTRIE, deel 3

door Ria Vitters

Hermanus Ravenschot loopt met een arm vol spullen over zijn erf naar zijn Rijnschip. Zijn zoon Johannes is al bezig met het vastzetten van de lading. Gistermiddag hebben ze bij buurman Vergunst een grote hoeveelheid dakpannen en plavuizen ingeladen. Vandaag gaan ze richting Amsterdam om de handel, bestemd voor een aannemer, af te leveren. Hermanus loopt nog even terug naar zijn woning om een musket en een snaphaan te halen, want het zijn roerige tijden. Een paar weken geleden is stadhouder Willem V gevlucht naar Engeland en de dag daarop riepen de Fransen de Bataafse republiek uit.

Onderweg…..

Vader (39) en zoon (15) maken de lijnen los, duwen de boot van de kant en vertrekken. Ze worden uitgezwaaid door de buurt: “Manus…Jan…Behouden vaart! Het duurt even voor ze op de Trekvaart (nu Aarkanaal) zijn, maar daarna kunnen de zeilen gehesen worden. De politieke toestanden zijn het gesprek van de dag in de herbergen onderweg en in de havens van Amsterdam. De oren van de jonge Johannes staan op stokjes. Patriotten…Prinsgezinden… Hij had de tweedeling ook al in Alphen, Oudshoorn en Aarlanderveen waargenomen. Hij neemt zich voor bij thuiskomst eerst eens met zijn vrienden van gedachte te wisselen over alles wat hij gehoord en gezien heeft…

Naar Amsterdam.

Het huis van Hermanus Ravenschot stond in het buurtschapje tussen de pannenbakkerij en de trasmolen aan de Lage Rijndijk (nu Raadhuisstraat). Dakpannenfabrikant Vergunst had in 1795 álle huizen tussen zijn onderneming en de pakhuizen van de trasmolen in zijn bezit…behalve het pand van schipper Hermanus Ravenschot.

1795 – 1832

In 1795 stond, zoals in deel 2 beschreven is, op de huidige percelen van de ‘Zuid-Hollandsche Krijtindustrie’ aan de Raadhuisstraat een bijna aaneengesloten bebouwing. De huizen in deze buurt waren vòòr de Franse tijd, wisselend eigendom geweest van de pannenbakker of de moleneigenaar. Maar het pand van schipper Ravenschot had een andere voorgeschiedenis dan de rest van de buurt.

In 1793 had Hermanus zijn Rijnschip gekocht, een houten vrachtschip voor de ‘wilde vaart’, geschikt voor vervoer van bouwmaterialen en bulkgoederen op de binnenwateren. Een jaar later kocht hij ook de bovengenoemde woning met erf, die hij overigens al een aantal jaren huurde.

Vader Hermanus voer samen met zijn zoon Johannes, tot deze in 1799 ging trouwen met een Oudshoornse schone. Vanaf die tijd lijkt zijn jongere zoon Adam (13) het stokje van zijn broer overgenomen te hebben. Johannes Ravenschot vestigde zich in Oudshoorn, was ook schipper van beroep…én fanatiek prinsgezind! Dat bleek op 26 april 1813 toen hij samen met een groep gelijkgezinden uit Alphen en Oudshoorn werd opgepakt wegens fel verzet tegen de Franse overheersing. De groep werd gevangengezet in het Gravensteen in Leiden, waar Johannes twee jaar gevangenisstraf kreeg opgelegd. Vijf verzetsstrijders kregen de doodstraf en werden direct geëxecuteerd. Maar op 19 november waren Johannes en zijn medegevangenen alweer vrij, omdat de Fransen Nederland verlieten na de fatale nederlaag van Napoleon in Rusland. Op 30 november landde op het strand van Scheveningen de zo gewenste Prins van Oranje, de zoon van stadhouder Willem V, die in 1806 was overleden…

Aankomst van prins Willem Frederik op het strand van Scheveningen, 30 november 1813

1832 – 1850

De Franse overheersers hadden nogal wat veranderingen doorgevoerd in Nederland. Napoleon vond in 1811 dat Nederland een kadaster en openbare registers moest krijgen. Hij wilde weten welk stuk grond van welke eigenaar was. In 1832 was Nederland geheel in kaart gebracht. Zodoende hebben wij nu een inkijkje in de situatie van het buurtschapje.

Op die kadastrale kaart was te zien hoe de buurt tussen de pannenbakkerij en het terrein van de trasmolen bijna aaneengesloten was bebouwd. Ook werd duidelijk, dat de toenmalige moleneigenaar tussen 1795 en 1832 nog een paar huizen had (terug)gekocht van de eigenaar van de pannenfabriek.

Op diezelfde kaart staat het buurtschapje uitvergroot, om de percelen en bijbehorende nummers goed zichtbaar te kunnen maken

Detail uit de kadastrale kaart van 1832.
Kruidenierswinkel uit de 19e eeuw.

Volgens het bijbehorende register, de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT) waren in 1832 de huizen 311 t/m 315 eigendom van Cornelis Samuel van Kerkwijk, eigenaar van de trasmolen en de huizen 335 t/m 340 eigendom van Cornelis Meurs, sinds 1807 eigenaar van de dakpannenfabriek.

Het lijkt erop, dat alle panden verhuurd werden aan arbeiders van de trasmolen en van de dakpannenfabriek. De achtererven waren onbebouwd. Daarbij valt op, dat de arbeiders van de pannenbakkerij zelfs geen eigen erf hadden. Wellicht lagen daar de producten van de fabriek, klaar voor transport.

De enige zelfstandige ondernemer in het rijtje, schipper Hermanus Ravenschot, was eigenaar van het breedste pand langs de Lage Rijndijk, aangegeven op de kaart met nummer 316! Nader onderzoek via (ver)koopakten, heeft uitgewezen, dat het huis tussen 1725 en 1742 gebouwd is op het terrein van de voormalige scheepmakerij! Het achtererf, direct grenzend aan de Rijn, is duidelijk breder dan de woning. Opvallend is een lichter stuk erf, haaks op de Rijn, met een stippellijn naar het huis. Dat geeft aan dat dat perceel bij het pand van Ravenschot behoorde. Het zou zomaar kunnen dat op dat aparte stukje erf in 1650 de loods van timmerman Joost ter Muijl stond of de oude scheepshelling of insteekhaven van scheepmaker Dirck Pietersz Schrael in 1670. In ieder geval was het een ideaal pand met breed achtererf voor een schipper.

1850 – 1900

Schipper Hermanus Ravenschot stierf in 1834. Uit diverse afwikkelingen van erfenissen in de periode daarna, is gebleken, dat niet Johannes Ravenschot als oudste zoon, maar zijn jongere broer Adam het ouderlijk huis erfde en net als zijn vader als schipper zijn brood verdiende. Adams eerste vrouw stierf in het kraambed van hun eerste kind, maar met zijn tweede vrouw, Neeltje Versteeg, kreeg hij een groot gezin. Adam overleed in 1861 en Neeltje in 1866. Uit de inventarisatie en beschrijving van het roerend en onroerend goed, blijkt dat het echtpaar al die tijd in het huis van Hermanus waren blijven wonen. Hun erfgenamen besloten het huis met toebehoren te verkopen door middel van een veiling. Het onroerend goed werd beschreven als ‘een huis waarin een kruideniersaffaire is uitgeoefend, in drie gedeelten te bewonen, thans twee gedeelten verhuurd, benevens nog een arbeidershuisje, voorts schuur, erf en weg, aan de Lage Zijde, te Aarlanderveen.’ De inventarisatie van het roerend goed geeft een inkijkje in de indeling van het pand in 1866: een winkel met een vaste glazen kast, een kelder, keuken, woonkamer, achterkamertje met vaste kast, een zijvertrek, een trap naar een zolder, een zoldertje boven het achterkamertje en een zomerhuis. Neeltje had in het verbouwde pand een kruidenierswinkel ‘gedreven’. Dit is de eerste melding van een winkel tussen de woonhuizen in de buurt. De nieuwe eigenaar…buurman pannenbakker Cornelis Dirk Meurs!…wist het pand via de veiling te bemachtigen voor ƒ 2.035.

In 1886 werden zowel de dakpannenfabriek als de molen verkocht. Voor de pannenbakkerij was het einde verhaal. In een deel van de panden vestigde zich een brikettenfabriek. De molen ging over naar een neef, die er in 1902 een gasmotor in plaatste. Daardoor verloren de wieken hun functie en kon de molen deels worden afgebroken. Het stenen onderhuis bleef staan en kreeg een eenvoudig zadeldak.

Links de onttakelde trasmolen en twee pakhuizen
Rechts de brikettenfabriek.

In de volgende nieuwsbrief komt het verhaal over het buurtschapje in de 20ste eeuw…

PS: VAN SCHEEPMAKERIJ TOT KRIJTINDUSTRIE, Deel 1 en 2, zijn te vinden op de website via deze link: Nieuwsbrief